Geschiedenis |
In het begin van de 14e eeuw verschenen de eerste Europeanen op de Canarische eilanden. Zij kwamen uit Castilië, Catalonië, Genua, Mallorca en Portugal. In 1312 zette de Genuees Lancelotte Mallocello voet aan wal op het eiland dat later Lanzarote zou heten. Daarna bleef het bijna een eeuw stil rond de eilanden. In 1402 kreeg de Normandiër Jean de Béthencourt de opdracht van koning Hendrik III van Castilië om de Canarische eilanden te veroveren voor de Castiliaanse kroon. In eerste instantie werd door het felle verzet van de Guanchen alleen Fuerteventura bezet. In 1404 werden de bewoners van Fuerteventura, El Hierro en La Gomera verslagen. In de periode 1433-1479 streden de Spanjaarden en de Portugezen met elkaar om de Canarische Eilanden. In 1479 werd de archipel in het Verdrag van Alcáçovas toegekend aan Spanje. In de 16e en 17e eeuw bloeide op Fuerteventura de slavenhandel. Berbers en Algerijnse piraten plunderen regelmatig de kuststeden van het eiland. Honderden bewoners van het eiland werden ontvoerd. Vanaf eind 17e eeuw volgden droogteperiodes elkaar snel op, zodat terugkerende hongersnood een groot gedeelte van de bewoners dwong te emigreren naar Latijns-Amerika. In oktober 1740 werd Tuineje aangevallen door de Engelsen, maar het lukte een klein groepje boeren om de Engelsen op de vlucht te jagen in de Slag van Tamasite. De hoofdstad Puerto del Rosario is vanaf 1797 ontstaan als haven van het meer landinwaarts gelegen gehucht Tetir. Een bron lokte veel geiten, wat de nieuwe nederzetting de naam Puerto de Cabras, ‘Geitenhaven', opleverde. In 1835 maakte het kleine dorp zich los van Tetir en werd een zelfstandige gemeente. Puerto de Cabras werd al snel de belangrijkste havenstad van Fuerteventura en in de 19e eeuw werd de stad uitgeroepen tot hoofdstad. De naam ‘Geitenhaven' vonden de inwoners niet meer gepast en in 1956 werd deze naam veranderd in Puerto del Rosario, de haven van de Rozenkrans. Dankzij zijn grote agrarische betekenis werd Antigua korte tijd hoofdstad in 1834-1835. In 1852 werd de hele Canarische archipel werd uitgeroepen tot vrijhandelszone. De economie van Fuerteventura bloeide hierdoor op, mede door de export van kleurstoffen, soda en kalk. Toen Spanje zijn laatste koloniën verloor ging het economisch weer veel slechter met de Canarische Eilanden, omdat een belangrijke afzetmarkt wegviel. De oostelijke eilanden Lanzarote, Gran Canaria en Fuerteventura werden in 1927 samengevoegd en vormden vanaf die tijd de provincie Gran Canaria. Francisco Franco, op dat moment militair bevelhebber op de Canarische Eilanden, pleegde een staatsgreep tegen de regering in Madrid. De Spaanse Burgeroorlog bracht alleen maar economische malaise en politieke isolatie. De Canarische Eilanden vormden op dat moment het armste gebied van Spanje. Vanaf eind jaren zestig nam het toerisme toe en verving in snel tempo de landbouw als belangrijkste bestaanbron. In 1966 opende het eerste vakantiehotel zijn deuren. Het was de Casa Atlántica in Jandía, gebouwd door Gustav Schütte, de toeristische pionier van het eiland. Na de dood van generaal Franco in 1975 kwam er meer politieke openheid en ook het toerisme beleefde een flinke opleving. In 1975 trok Spanje zich terug uit de laatste Afrikaanse kolonie, de Spaanse Sahara. Het daar gestationeerde vierduizend man sterke Vreemdelingenlegioen werd vervolgens naar Fuerteventura overgeplaatst. Ze gedroegen zich al snel als de heersers over het eiland, tot grote ergernis van vooral de jonge Majoreros. In 1980 kwam het in de hoofdstad Puerto del Rosario tot ware straatgevechten, waarna het legioen weer van het eiland weggehaald werd. In 1982 kregen de Canarische Eilanden met nog een aantal andere Spaanse provincies een autonome status en in 1986 behield de eilandengroep, ondanks de toetreding tot de Europese Unie, haar aparte status als vrijhandelszone. |
